Vrijdag 4 juli zaten 3 whiskybroeders en Jef voor het Amerikaanse Conculaat op het mooie museumplein te Amsterdam. 13 apothekersflesjes stonden op de nog nagloeiende zwarte stenen bankjes. Het zou een zoet avondje worden, met wat turfranden en diepe sherry gronden en aan het eind de arm van oom agent.
Gestart met het volgende drietal: 1. Abelour Cuvee Marie d’Ecosse 15 jaar op 43%. Gebotteld voor de franse markt. Erg mooie subtiele sherryaroma’s. Deze werd gevolgd door een SPringbank 10 jaar van een Portvat, gebotteld door Duncan Taylor. Veel zilt, met mooie port die daardoorheen breekt. Dan de Arran 1996 van Berry’s Own, alweer op vatsterkte, de mooiste Arran ooit geproefd (distillery bestaat zo’n 11 jaar).
Naast de whisky’s had Jef ons voorzien van 9 liter water en 3 pakken tukkies; het whiskyoverlevingspakket. We waren klaar voor het sherrygedeelte:
4. Antony’s Choice 2006. Een 15-jarige Glenfarclas op een fresh sherryvat. Prachtig donkere sherry! 5. De Macallan 19 jaar van Dewar Rattray op 57.4%. Wat ruiger en scherper dan de Farclas. 6. De Abelour 2006 Speyside Festival botteld by Waldo. Zelfs Jef, nog enigszins nieuw in de whiskywereld, viel op hoe smakelijk dit wel niet was. 7. Een mistery van mijn kant, omdat de naam van de whisky teveel de smaak bepaalt. Direct viel op dat het een zware sherrybotteling waar mooi de turf doorheen kwam. Een Port Ellen 24 jaar van Dewar Rattray, erg mooi en o zo lekker, maar een tikje “simpel”.
Dan even doorgaan in de turf met een Bowmore 17 jaar Dewar Rattray op 54,1%; mooie fris fruitige Bowmore, wauw! Dan de eerste Littlemill 16 jaar gebotteld door David Stirk, mooi zacht. De andere Littlemill 20 jaar gebotteld door Jack Wiebers, een Lowlander met een bite.
Eindelijk bij het dessert beland:
1. Benriach 1976 gebotteld door Signatory cask 9442. In 1976 zijn mooie whisky’s gemaakt. 2. De Glenury Royal 1973 op 50.6%. Elders op deze site uitvoerig beschreven onder zijn pseudoniem “Glunderende Koning”. 3. En toen wilden we afsluiten, maar werden door een sterke arm tegengehouden. 1 auto en een motorfiets beschenen ons bankje met 12 lege en nog 1 vol flesje. “Heren u zit hier. Wij hebben vernomen dat u regelmatig naar die hoek bij het Amerikaanse Consulaat toeloopt en na zo’n minuut weer terugloopt. Klopt dat?” euh ja. “Nee”, roept Wessel, want sjonge jonge die heeft een soort ingebouwde stoma man, die was echt nog niet in het hoekje geweest. “Gaat u daar dan plassen in die hoek?”, vroeg de agent. “euh, ja daar achter die boom en die struiken, wel tegen die boom hoor, echt niet tegen Big Boss Bush his House.” De agent leek helemaal opgelucht en dat was hij ook, want zo vertelde hij ons dat wild plassen natuurlijk niet mag en als hij het ziet het dan ook beboet wordt, maar dat wanneer wij niet hadden gezegd dat wij daar af en toe een plasje deden hij ons had meegnomen voor nader onderzoek.
De sensoren van het Consulaat hadden onze plasjes door het duister zien stralen, zodoende was de Ambassade in Den Haag gewaarschuwd dat er 4 vreemde elementen voor het Consulaat zaten. Daarna werden er 3 agenten op ons afgestuurd. De motoragent vroeg of dat monsters waren en vertelde daarna dat hij vroeger olie leverde op de Orkney’s bij de distillery’s en dat ie het idee had dat die mensen die daar werkte continu onder invloed waren: de Angle’s share. Nadat onze identiteiten waren opgeschreven, vertrokken de agenten weer.
Al met al aangekomen bij de laatste van de avond: De Caperdonich 1968, gelukkig ook ouder dan de aanwezige heren. Een waardige afsluiter.
Daarna het whiskydeel afgesloten en door Jef meegenomen naar duistere kroegen in het reeds duistere Amsterdam.